Graag informeren wij u nader over de achtergronden van nierfalen om het waarom en de werking van dialyse beter te kunnen begrijpen.

Plaats van de nieren in het lichaam

De twee nieren bevinden zich hoog achter in de buik, gelegen tussen de lever (rechts boven in de buik) en de milt (links boven in de buik), aan weerszijden van de wervelkolom en in de nabijheid van de grote bloedvaten. Bloed komt de nier binnen door de nierslagader, stroomt door het filtrerend systeem van de nier en verlaat de nier via de nierader. De gefiltreerde vloeistof wordt uiteindelijk de urine en wordt opgevangen in de nierkelkjes en het nierbekken. Deze nierbekkens draineren op de urineleiders die vervolgens uitmonden in de blaas. De blaas ligt onder in de buik aan de voorzijde. Bij een volle blaas ontstaat aandrang tot plassen en verlaat de urine het lichaam via de plasbuis.

De belangrijkste functies van de nier

Als belangrijkste nierfunctie wordt gezien, het uitscheiden van afvalstoffen uit het lichaam zonder dat andere belangrijke zouten en eiwitten verloren gaan.
Een andere belangrijke functie is het verwijderen van een overschot aan vocht en zout uit het lichaam en daarmee tegelijk het reguleren van de bloeddruk.
Daarnaast maken de nieren hormonen. Renine is een hormoon wat meehelpt de bloeddruk op peil te houden. Erythropoïetine (Epo) is een hormoon wat de bloedaanmaak stimuleert. Tenslotte wordt inactief vitamine D in de nier omgezet in actief vitamine D. Het actieve vitamine D zorgt voor calcium opname uit de voeding en draagt bij aan het instandhouden van een juiste calcium en fosfaat concentratie in het bloed en botten. Deze functie wordt mede geregeld door de bijschildklier die zich in de buurt van de schildklier in de hals bevinden.
Tenslotte bewaakt de nier samen met de longen de zuurgraad van het bloed.

De gevolgen van een achteruitgang van de nierfunctie:

  • Afvalstoffen in het bloed gaan oplopen
  • De bloeddruk en vochtbalans worden minder goed gereguleerd waardoor een hoge bloeddruk en vochtophoping (oedeem) kunnen ontstaan
  • Er wordt minder Epo aangemaakt. Dit lijdt vaak tot een verminderde bloedaanmaak en daardoor uiteindelijk een bloedarmoede
  • De verminderde omzetting naar actief vitamine D veroorzaakt een neiging tot daling van het calcium in het bloed
  • Nieren die minder goed filtreren kunnen minder goed de afvalstof fosfaat uitscheiden; er dreigt ophoping van fosfaat
  • Een te laag calcium en een te hoog fosfaat zorgen ervoor dat de bijschildklier harder gaan werken. Het verhoogde bijschildklierhormoon probeert het calcium in het bloed op peil te houden door de voorraad in de botten aan te spreken. Dit kan uiteindelijk weer leiden tot een veranderde botstructuur en daardoor zwakkere botten
  • Verstoring van de calcium en fosfaat in het bloed kan leiden tot neerslaan van calcium en fosfaat in de bloedvaatwand en op de hartkleppen
  • De zuurgraad van het bloed stijgt, wat ook een negatief effect heeft op de botten, maar ook een stijging van het kalium kan veroorzaken. Een te hoog kalium kan hartritme problemen veroorzaken

Wat merkt een patiënt van een achteruitgaande nierfunctie?

Heel vaak wordt er, totdat de nierfunctie echt heel sterk verminderd is, door de patiënt niets gemerkt. In een laat stadium is een veel gehoorde klacht moeheid en niet helemaal fit voelen. Dit is het gevolg van ophoping van afvalstoffen en de ontstane bloedarmoede. Maar ook misselijkheid en een verminderde eetlust zijn door ophoping van afvalstoffen te begrijpen. Jeuk ontstaat over het algemeen pas wanneer de afvalstoffen heel hoog zijn opgelopen en neerslaan in de huid. Maar jeuk kan ook worden veroorzaakt worden door een te hoog fosfaat of bijschildklierhormoon en zelfs nog door een bloedarmoede. Van het oplopen van de bloeddruk wordt meestal weinig gemerkt, maar deze kan de achteruitgang in nierfunctie wel verder versnellen. Daarnaast geeft een verhoogde bloeddruk, zeker bij nierpatiënten, een hogere kans op andere hart en vaatziekten. De effecten op de botten worden niet dadelijk vernomen, maar kunnen op de lange termijn lijden tot spontane botbreuken of inzakking van de wervelkolom. Tenslotte is bekend dat met het verminderen van de nierfunctie er een verhoogd risico bestaat op hart en vaatziekten.